Woordenschat

Woordenschat

– Synoniemen

– Woordbetekenis herkennen

– Woordbetekenis omschrijven (definitie geven)

– Belangrijkste betekeniskenmerken

– Tegengestelde

– Koppelen aan verwante begrippen op basis van gezamenlijke kenmerken

– Woorden in een reeks (vergrotende of verkleinende trap)

Figuurlijk taalgebruik


Indeling op frequentie:

1. Basiswoorden
(eenvoudige woorden, in veel situaties gebruikt)
2. Algemene woorden
(moeilijker woorden, in veel situaties gebruikt)
3. Specifieke woorden
(moeilijker woorden, in specifieke situaties gebruikt)

Specifieke oefeningen:

-Woorden labelen ; “Waar zie je …?”
-Dezelfde betekenis ; “Wat is een ander woord voor …?”
-Definities ; “Wat is …?”
-Beschrijvingen ; “Wat betekent …?”, “Een … is iemand die …”
-Belangrijke betekeniskenmerken ; “Waar gaat het bij … vooral om?”, “Welke woorden zeggen het best iets over de betekenis van …?”

-Tegenstellingen ; “Wat is het tegengestelde van …?”
-Betekenisveld ; “Wat past het best bij …?”
-Deel-geheel ; “Wat is geen …?”
-Gezamenlijke kenmerken ; “Vul het rijtje aan.”
-Onmogelijke combinaties herkennen ;  “Welk woord hoort er niet bij?”, “Wat hoort niet bij …?”,

(Nog in aanbouw)