Woorden


1 mkm-woorden (bijv. bos)

2 mmkm- en mkmm-woorden (bijv. klap, tent)

3 mmkmm-woorden (bijv. plant)

4 Tussenklank die niet geschreven wordt (bijv. melk, berg)

5 Meer dan twee medeklinkers na elkaar (bijv. strik, worst)

6 Woorden met sch of schr (bijv. schrift)

7 Woorden met ng of nk (bijv. bang, bank)

8a Woorden met f of v

8b Woorden met s of z

9 Verkleinwoorden

10a Woorden met ge-, be-, ver-

10b Woorden met  -el, -er, -en

11 Woorden met ei of ij   [+quizvragen]

12 Woorden met aai, ooi of oei

13 Samengestelde woorden

14 Woorden met -eer, -oor, -eur

15 Woorden met -a, -o of -u

16 Woorden met au(w) of ou(w)   [+quizvragen]

17 Woorden met ch of cht

18a Woorden met -d (bijv. hond)

18b Woorden met -t (bijv kat)

19 Woorden met eeuw, ieuw, uw   [+quizvragen]

20 Woorden met open lettergreep (bijv. jager, notaris)   [+quizvragen]

21 Woorden met gesloten lettergreep (bijv. bakker, bemanning)   [+quizvragen]

22 Woorden met verandering van f-v- en s-z

23 Woorden met -em, -elen, -enen, -eren

24 Woorden met -lijk of -ig (bijv. koninklijk, akelig)

25 Woorden waarbij ‘ie’ wordt geschreven als i (bijv. diploma)

26 /s/ wordt geschreven als c (bijv. narcis, ceremonie)

27 /k/ wordt geschreven als c (bijv. cacao, accordeon)

28 Woorden waarbij ge klinkt als ‘zju’ (bijv. garage)
of  Woorden waarbij ch klinkt als ‘zju’ (bijv. chef, machine)

29 Woorden met ‘s (bijv ‘s ochtends, komma‘s)

30 Woorden met -tie (bijv. traditie)

31 woorden met -heid of teit (bijv. veiligheid, majesteit)

32 Woorden met -y- (bijv. typisch)

33 woorden met –b (bijv. krab, web)

34 Woorden met –n en –s- in samenstellingen (bijv. blokkendoos, dorpsplein)

35 Woorden met koppelteken in samenstellingen (bijv. auto-ongeluk, zonne-energie, e-mail)

36 Woorden met een trema (bijv. zeeën, ruïne)

37 Hoofdletters (bijv. Marjolein, Nederland, Pasen)

38 Franse leenwoorden (bijv. bureau, journaal)

39 Engelse leenwoorden (bijv. team, training, keeper)

40 Woorden met th die klinkt als t (bijv. theater, apotheek)

41 Woorden met -isch(e) (bijv. alfabetisch)

42 Woorden met –iaal, -ieel, -ueel, –eaal (bijv. speciaal, commercieel, actueel, ideaal)

43 twee- of meerlettergrepige woorden met onbeklemtoonde –es, -ik of –et

44 Woorden met x (bijv. examen)

45 Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden (bijv. wollen, houten)

46 Verkleinwoorden met -aatje/ -ootje/ -uutje/ -nkje (bijv. omaatje, autootje, parapluutje, kettinkje)

47 Meerlettergrepige woorden met open en/of gesloten lettergreep

48 Restwoorden (bijv. museum, erwt)

– Woorden met assimilatie (beïnvloeding door de buurletter) (bijv. ontdekking, enigszins)

(Nog in aanbouw)