Signaalwoorden

Signaalwoorden (Bijv. bovendien, maar, daarom)


Bij deze woorden weet je dat het gaat over…

Een opsomming:
ook, en, of, bovendien, verder, onder meer, onder andere, daarnaast, zoals, in de eerste/tweede plaats, ten eerste/ten tweede, ten slotte, vervolgens, nog meer, tevens, niet alleen … maar ook, om te beginnen, daarna, als laatste, achtereenvolgens, eveneens, evenmin, alsmede, zowel … als, noch … noch, ofwel, dan wel

Een tegenstelling:
maar, toch, (al)hoewel, ofschoon, integendeel, echter, desalniettemin, in tegenstelling tot, terwijl, desondanks, ondanks (het feit )dat, enerzijds … anderzijds, aan de ene kant … aan de andere kant, ook al, voordeel/nadeel, doch

Oorzaak en gevolg:
omdat, daarom, want, doordat, daardoor, zodat, met als gevolg dat, dientengevolge, dan ook, immers, door, vanwege, wegens, ten gevolge van, daar, opdat

Een conclusie:
dus, kortom, zoals blijkt uit, Waar het dus om gaat …, Samenvattend kunnen we stellen dat …, Hieruit blijkt dat …, De conclusie is dat …, Men kan concluderen dat…, Belangrijk is dat …

Een volgorde (in tijd):
eerst, daarna, daarvoor, dan, tenslotte, vervolgens, na(dat), voor(dat), toen, wanneer, alvorens, eer(dat), tot(dat)

Een voorwaarde:
als, wanneer, indien, in geval, zo, mits, tenzij

(Nog in aanbouw)